zondag 27 mei 2012

Journey without maps

Deze week het prachtige, onderhoudend geschreven boek ‘Journey without maps’ van Graham Greene gelezen. Greene trok in 1935 op 30-jarige leeftijd een maand lang te voet door het met tropisch regenwoud bedekte binnenland van Liberia, West Africa’s Black Republic. Hij start in het noordwesten op de grens met Sierre Leone en loopt in een wijde boog zuidoostwaarts tot aan Grand Bassa, het huidige Buchanan, dat aan de Atlantische Oceaan ligt. 

Kaart uit het boek van Greene, zijn tocht is de dikke stippellijn.

 Zijn voettocht, zo’n 500 kilometer lang, is een aaneenrijging van beeldend beschreven kleine en grote ongemakken, afgewisseld met al even beeldend beschreven ontmoetingen met vogels van diverse pluimage in de vele dorpen die hij passeert. Het is een hete en lange tocht over smalle paden door bos, bos en nog eens bos. In elke hut waar hij overnacht wemelt het van de ratten, kakkerlakken, malariamuggen en ander ongedierte en het eten is soms dramatisch slecht. Het ene dorpshoofd ziet hem aan voor een lid van het Britse koningshuis, terwijl de ander Greene zo snel mogelijk zijn dorp uitwerkt. Greene ziet hoe in rituelen de smid met een masker op verandert in een duivel die zijn mededorpelingen de stuipen op het lijf jaagt. Maar ook passeert hij menig plaats waar vrolijk gedanst en gezongen wordt. Hij beschrijft ironisch, maar ook met compassie, over dat traditionele, feodale leven en maakt soms treffende, relativerende vergelijkingen met het ‘moderne’ leven.

Lopen in een hangmat

Greene draagt niet zijn eigen bagage – en dat was even slikken voor mij, die al vele duizenden kilometers lange-afstandspaden heeft gelopen met een rugzak van zo’n 10-15 kilo op de nek. Maar ja, Europa is geen Afrika.  Greene wordt vergezeld door zijn neef en een stuk of zes dragers, die zijn bagage tillen. Daartussen zitten verrassend veel flessen whisky, want elke avond wordt het leed van de dag verdreven met forse slokken. Hij blijkt zelfs boter bij zich te hebben, tamelijk onvoorstelbaar met die tropische temperaturen. Zijn neef wordt overigens gedragen in een hangmat. Greene ook een keer, als hij te zwak is om te lopen, maar hij vindt dat heen-en-weer geschud verschrikkelijk. Hij betaalt zijn sherpa’s een redelijk salaris, maar is met hen in voortdurende strijd verwikkeld om de discipline erin te houden. Hilarische situaties soms – tot aan stakingen toe, die hij vol begrip weet af te kopen. Opmerkelijk is zijn constatering dat ze beter lopen met lege dan met volle magen.

Graham Greene
 Na vier weken bereikt Greene eindelijk de kust. Hij gaat aan boord van een schip dat wordt aangedreven door twee automotoren (een Dodge en een Studebaker voegt Greene er met gevoel voor detail aan toe). De boot is vol met 150 partijgangers die op weg zijn naar Monrovia voor het congres van de oppositionele Unit True Whig Party, dat de tegenkandidaat moet kiezen voor de zittende president Barclay van de True Whig Party. Er is een keuze uit twee tegenkandidaten: de hele bootreis van 7,5 uur vinden er felle discussie plaats tussen de aanhangers van beiden. De kapitein zegt tegen Greene dat de partijgangers nu nog tamelijk rustig zijn, maar ‘als ze van boord gaan, worden ze bloeddorstig. Ze vermoorden nog liever Barclay dan hem gekozen zien worden’. (Barclay wordt herkozen – en niet vermoord, maar dit terzijde)

Zelfs geen vrouwen om op te jagen

Greene verblijft ongeveer een week in Monrovia. Hij ziet een groot dorp, dat aan het begin van een stedelijke ontwikkeling staat. Grasstraten, houten huizen, een enkele stenen villa, een paar kantoorgebouwen van enkele verdiepingen hoog en één asfaltweg, die naar de Firestone rubberplantage leidt. Greene hekelt de Liberiaanse regering die voor een fooi deze Amerikaanse autobandenfabriek voor 99 jaar een ‘ongrondwettelijke’ concessie heeft verleend voor de exploitatie van een miljoen acres, waarvan in 1935 slechts 60.000 acres wordt gebruikt. De rest van de grond ligt er nutteloos bij. De 6000 arbeiders worden slecht betaald en zijn dan ook nog verplicht hun eten in speciale Firestone-winkels te kopen. 

Omslag eerste editie uit 1936
Greene schat het aantal ‘whites’ in Monrovia op drie dozijn. Een paar Polen, Duitsers, Nederlanders, Amerikanen en Italianen. Er is geen vertier, geen comfort, geen ambitie, geen spelletje om te spelen en er zijn zelfs geen vrouwen om op te jagen, zo beschrijft hij moedeloos. Dus het enige dat hen te doen staat is drinken, van bier in de ochtend tot whisky in de  avond. Greene begint zelfs terug te verlangen naar de dorpen in het regenwoud, met hun gastvrijheid, onbedorven cultuur en gemeenschapszin...

De kaart van je leven

Monrovia is inmiddels uitgegroeid tot een echte stad met een levendige straathandel, verrassend veel goede restaurants, twee voetbalstadions, universiteiten en welgeteld één Nationaal Museum, vol met uit hout gesneden, vaak duivelse maskers. Bibliotheken, theaters en bioscopen zijn er niet of nauwelijks te vinden, maar dat lijkt een kwestie van tijd.
Als je met de indrukken van Greene kijkt naar het Monrovia van nu, blijkt het motto van zijn boek goedgekozen. Je hebt een lange tijd nodig, tientallen jaren, om de stukjes van de kaart in samenhang bij elkaar te brengen, of het nu de kaart van je leven is, of van een land of stad. Dat geldt zeker nog steeds voor Liberia.
Uiteindelijk is er ook een kaart van Liberia gekomen, die op straat voor een dollar te koop is. Uiteraard geen wandelkaart, daarvoor is de schaal veel te groot, maar de tocht van Greene is er op te volgen, al zal elke reis in Liberia een ‘journey without maps’ blijken te zijn.

zondag 20 mei 2012

I was worried

Ook deze keer heb ik een gastschrijver voor dit blog. Mijn vrouw Jacq houdt me drie weken gezelschap. Hieronder haar indrukken van haar laatste week.
  
Vrijdag rijden we om 5 uur ’s middags door de stad. Het barst los: onweer, heftig waaien, stortregens. Terwijl Leo rijdt, maak ik vanuit de auto een filmpje.
Zoek het op op Youtube, zet het geluid lekker hard en waan je 3 minuten in Monrovia!
We wilden naar een terras aan zee gaan, maar de regen noopt ons op het terras te zitten van een hotel. Onder het afdak, plastic naar beneden en genieten maar. De zee woest, de palmbomen kreunend. Op de terugweg blijken er bomen te zijn omgewaaid en liggen grote reclame- en informatieborden plat langs de kant van de weg .


Weekend naar Buchanan

He ja, laten we één van de twee weekenden dat we hier samen zijn, de stad uit gaan. Goed idee, toch??
Je weet in Liberia nooit wat je moet verwachten. Ik loop tussen doodarme mensen door en even later zit ik op een terras naast mensen met IPads. Zo vervreemdend, mijn verwachtingen worden telkens gelogenstraft.
Zaterdagochtend gaan we op weg naar Buchanan, 150 km langs de kust naar het zuidoosten. Maar je moet via het binnenland. Je maakt je blijkbaar toch een voorstelling van zo’n uitje...
Wat was mijn beeld op grond van wat ik las en hoorde?  En wat is de werkelijkheid?

Het is ongeveer 1,5 uur rijden over goede wegen.
Het is 3,5 uur rijden, een groot deel over asfalt, maar een flink deel onverhard. Er wordt op allerlei plekken tegelijk, hard aan de weg gewerkt, ook op zondag. Met telkens als hoofd van de wegaanleg een Chinees. We zijn erg blij dat we droog heen en weer komen. Het is vast geen pretje om hier te rijden in de enorme stortbuien die het regenseizoen hier kenmerken. We doen rustig aan, met de 4wheeldrive, toch een lekke band op de terugweg. Terwijl we enorme banden hebben. We worden aardig geholpen bij het verwisselen door twee mannen, die dit duidelijk vaker doen.

Onderweg zie je telkens de gehuchten. Met lemen huizen en een paar afdakjes van palmbladeren waaronder de mensen zitten. Alles is gemaakt van materiaal uit de omgeving. Zonder stromend water, riolering of elektra

Volgens de Lonely Planet is Buchanan wel een aardige stad met een ‘colourful market’ en ‘some attractive beaches’. Ook van anderen hoorde Leo dat het er leuk zou zijn.
Het is een groot dorp, met een paar asfaltwegen, verder een paar onverharde wegen. Arm, arm, en vies.

Buchanen ligt aan zee.
Ja, het ligt aan zee. Als je naar het strand loopt liggen er overal vuilnishopen. Als je al tussen het vuilnis door zou lopen kom je op het strand. Nergens is het strand gewoon bereikbaar. Links en rechts afgebrande huizen, ruines van huizen.

Het hotel hotel, met 15 ruime kamers ($ 75,- per nacht) ligt ook aan zee. ‘Unusually excellent’ volgens de reisgids. Dus ik nam zwemkleren mee, zelfs een dunnen ochtendjas want misschien hebben we een balkon waar we kunnen lezen. Boeken mee. Zonnebrand mee. Zomerjurk mee.
De kamer is inderdaad ruim. Met uitzicht op zee: door een heel klein raam door een hek heen. Er is zelfs airco.
Geen balkon. Er is 1 stoel. Het restaurant gaat om 4 uur open. Er is geen ontbijt. ’s Ochtends is de airco vanzelf uitgegaan want ze sluiten de generator af. Er zou misschien koffie en thee zijn. Op de gang staat een thermosfles met water een paar kopjes en wat koffie. Maar de fles is bijna een leeg en er is geen heet water meer.

We zullen toch wel ergens iets kunnen eten nu het restaurant nog dicht is?
Ja hoor, eind van de straat aan zee: Paul’s Beach Bar & Restaurant. Er zijn drie leuke
rieten hutjes waaronder je kunt zitten. Er zitten een paar mensen iets te drinken. Ze hebben een menukaart. We bestellen gegrilde vis en Liberian Peppar Soup. Even later loopt Paul naar de ernaast liggende minivismarkt, komt terug met twee net gevangen vissen en later eten we wat hij gemaakt heeft. Het is goed. Het strand loopt tien meter af naar de zee langs vuilnis. En visserskano’s op het strand. Gemaakt uit één boomstam, zo te zien. We zien ze aankomen zeilen, een rechthoekig zeil erop.

We zullen vast wel lekker langs zee kunnen lopen, er schijnen ook mooie stranden te zijn. Dus gympen mee.
Je kan nergens langs de zee lopen. We rijden een stuk de stad uit, daar zouden goede stranden zijn. We komen langs een compound, het kijkt een soort mijn te zijn aan zee. Ook loodsen en fabrieken, hek eromheen. Paar grote schepen in de verte. We bereiken het mooie strand niet.
           
Alles is relatief

Een les is snel geleerd in Liberia: alles is relatief. Terug in Monrovia, een walhalla vergeleken met Buchanan, eten we in restaurant First Food Center van Mama Susu. Een dame uit Syrië die al veertig jaar in Liberia woont. Vanwege de langdurige burgeroorlog is ze is al drie keer opnieuw haar restaurant moeten beginnen. Ze komt bij ons aan tafel zitten en het gesprek vliegt zoals het in zo’n situatie hoort, alle kanten uit. Ze behoort tot dezelfde minderheid als president Assad, dus de man kan in haar ogen geen kwaad doen. Ze heeft een dochter die net als de onze Layla heet. Dus heten we allebei Umlayla (Moederlayla). Zij betaalt US$1250 per maand voor de olie om de generator elektra te laten leveren. Dat is normaal hier. Evenals de belachelijke prijzen die voor de olie worden gevraagd.  Die generatoren zijn vaak in handen van Libanezen, die veel onroerend goed voor lange termijn huren van Liberianen – en weer doorverhuren aan andere Liberianen en vooral expats. Inclusief die generatoren. Er is zon genoeg, maar de banken geven geen leningen voor zonne-collectoren.

‘I was worried’

Donderdagavond gaan we uit eten in de Bamboo Bar met Jemima, een Liberiaanse studente, die ik heb ontmoet en met wie ik leuk contact heb. Het is heel gezellig. We kijken uit over chaos van downtown Moravia, want het restaurant ligt op het dak van het Palm Hotel in Broad Street.
Later, rond 9 uur brengen we haar naar huis. Denken we. Onderweg zegt ze al een keer ‘zet me hier maar af, ik ga wel verder achterop een motorfietstaxi’, maar dat willen we niet. Ze woont, net als wij, in Sinkor, maar dan aan de andere ‘ arme’ kant van de 
Tubmanboulevard - bij dag
Tubmanboulevard. De eerste straten vanaf de Tubmanboulevard kennen we wel. Maar verder de wijk in niet. Onverharde wegen, pikdonker en druk. Overal mensen, overal straatverkoop, karretjes, hokjes, kleine lichtjes. Steeds meer mensen, steeds slechtere wegen, steeds donkerder. ‘OK, zet me hier maar af. Ik moet nog die weg in’ zegt ze. Een weg? We turen in de duisternis. Zijn daar huizen? Is dit een weg? We zijn bezorgd. Ze moet lachen. ‘Ik vind het wel’. Natuurlijk, ze woont hier ergens.
We keren met moeite om en rijden met enige moeite terug naar de Tubmanboulevard. Vlak voor we de parkeerplaats van ons wooncomplex oprijden, belt ze op: ‘zijn jullie veilig thuis gekomen? I was worried...


zondag 13 mei 2012

Hoe rijk is Liberia?


Hoe goed gaat het met Afrika? Die vraag wordt de laatste tijd steeds vaker gesteld in allerlei artikelen en boeken. De grondtoon is meestal positief. De economische groei in veel Afrikaanse landen ligt op een hoog niveau. Auteurs als Richard Dowden, een Brit die veertig jaar kriskras door Afrika heeft gereisd en veel voor The Economist, The Times en The Independent heeft geschreven, beschrijft in zijn ‘De Staat van Afrika’ vrij overtuigend dat Afrika langzaam maar zeker zijn eigen tradities met die van de moderne wereld op een vruchtbare manier weet te combineren. 'Maatpakken naast speren' en 'mobiele telefoons naast magie'. ‘De diepe wond die Afrika van zijn ziel scheidde, is aan het genezen. De schizofrenie loopt ten einde, Afrika begint zichzelf te vinden’, zo besluit hij zijn 538 pagina’s tellende epos, een fraaie mix van deskundige analyses en persoonlijke verhalen. 

In ‘Why Africa is poor’ kiest de Zuid-Afrikaanse econoom Greg Mills een andere invalshoek. Het potentieel zo rijke Afrika (grondstoffen, natuurlijke hulpbronnen, een jonge bevolking) wordt in zijn ontwikkeling geremd door zwak bestuur. Hij vergelijkt Afrikaanse economieën met die van Zuidoost-Azië en Midden-Amerika en komt tot hersenprikkelende uitspraken.  Het is niet ‘ de vrije markt’ die als vanzelfsprekend economische ontwikkeling en welvaart genereert. De ‘open deur’ politiek van veel Afrikaanse landen, Liberia niet uitgezonderd, is lucratief voor buitenlandse investeerders en een kleine elitaire bovenlaag, maar het overgrote deel van de bevolking profiteert hier in het geheel niet van. Het is ook niet ‘de’ ontwikkelingshulp die Afrika in een verlammende 
greep houdt. Scherp analyseert hij de verschillen tussen goede bedoelde, maar op snel resultaat gerichte hulp en duurzame assistentie, die uitgaat van wederzijdse betrokkenheid, flexibel inspeelt op veranderende omstandigheden, maar wel een scherpe focus heeft op veranderingen die er toe doen.
Is dat zwakke bestuur (een eufemisme voor corrupte en zelfverrijkende politici) dan een Afrikaans natuurverschijnsel? In een doorwrocht betoog dat Christopher Formunyoh, directeur Centraal-West Afrika van NDI, in april hield voor de Afrika-commissie van de Amerikaanse Senaat, geeft hij verrassende feiten over ontwikkelingen in de Afrikaanse politiek. Zo traden tussen 1960 en 1990 slechts drie Afrikaanse staatshoofden vrijwillig af (vanwege leeftijd of een verloren verkiezing). In 2000 was dat aantal vanwege een voortschrijdende democratische ontwikkeling gegroeid tot meer dan 30. In 1980 waren volgens Freedom House 4 ‘Zwart’-Afrikaanse landen ‘ vrij’ en 15 ‘gedeeltelijk vrij’, in 2011 waren dat er 9 resp. 22. De politieke samenwerking tussen Afrikaanse landen vordert gestaag, waarbij verdragen worden gesloten met het doel om goed bestuur en democratisch functioneren te versterken. En zo geeft hij nog meer voorbeelden van positieve ontwikkelingen, zonder daarbij overigens uit het oog te verliezen dat er altijd terugslagen zullen blijven.

Sociale exploitatie van grondstoffen

Goed bestuur is een absolute voorwaarde om economische groei, die zich in veel Afrikaanse landen voordoet, te laten leiden tot welvaart voor allen. En dat betekent: huisvesting, elektriciteit, water, riolering, werk en onderwijs. In Liberia zie ik elke dag dat er nog een lange weg te gaan is. Zeker zo’n 80% van de bevolking woont in deplorabele omstandigheden, zonder water, elektra of riolering. Zo’n 800.000 kinderen gaan niet naar school. De werkloosheid is boven de 60%. De burgeroorlog is inmiddels 9 jaar geleden beëindigd en de internationale gemeenschap probeert met talloze hulporganisaties een bijdrage aan ontwikkeling te leveren. De economische groei is inderdaad fors (ruim 7%), maar dat cijfer komt van ver: het Bruto Nationaal Product is erg laag.

Rubberboom op de Firestone-plantage
In het Liberiaanse parlement wordt heftig gediscussieerd. Niet over het ontstellende gebrek aan  nutsvoorzieningen, goede huisvesting of onderwijs, maar over de concessies die de regering wil verlenen aan buitenlandse oliemaatschappijen om recent ontdekte olievelden voor de kust te exploiteren. Er wordt transparantie en openbaarheid geëist,  maar met welk doel? Sommigen zien Noorwegen als lichtend voorbeeld, dat zijn enorme oliewinsten gebruikt om aanzienlijke financiële reserves op te bouwen. Daarbij wordt dan wel vergeten dat dit Scandinavische land de olie in eigen bezit heeft en daarmee een welvaartsstaat heeft opgebouwd die aan de top van allerlei ranglijsten staat. Sceptici zeggen dat sommige parlementariërs vooral eigen belang nastreven: als de positie van het parlement in de concessieverlening wordt versterkt, zou dat immers kunnen betekenen dat parlementariërs met steekpenningen te verleiden zijn. 
De welvaartsstaat ligt in Liberia nog achter de horizon. De discussie over het (meer) in eigen hand krijgen van de door veel buitenlandse bedrijven zo gewilde grondstoffen (olie, goud, rubber, hout) komt nu goed op gang. Ook in de media en de samenleving. Daarbij aangemoedigd door een organisatie als CENTAL (Center for Transparency and Accountability in Liberia), die er op hamert dat de exploitatie van de natuurlijke hulpbronnen ten goede komt aan de bevolking.
Het programma dat NDI in Liberia uitvoert, is erop gericht om het parlement in alle opzichten beter te laten werken. Het moge duidelijk zijn dat de –sociale- exploitatie van de eigen rijkdom daarvan een cruciaal onderdeel vormt.

 

zaterdag 5 mei 2012

Het regent hier mango's

Deze keer heb ik een gastschrijver voor dit blog. Mijn vrouw Jacq houdt me drie weken gezelschap. Hieronder haar indrukken van haar eerste week.

Zondag lopen we eerst naar zee, dat is 200 meter de straat uitlopen. Dat klinkt heel goed, maar je weet toch niet wat je ziet. Je zou denken zandstrand en de zee, maar de omgeving doet er blijkbaar wel veel toe. Eerst langs een bouwval zonder ramen waar zo te zien wel mensen in wonen. Ongelofelijke troep en daartussen ook blote kinderen die met water sjouwen. Even verderop onder een afzetting doorkruipen en je staat op het strand. Loopt schuin af met enorme hoge golven. Je zou er echt niet zomaar in durven. Onder bladerafdakjes hangen wat mensen. Op de muren staat gekalkt: do'nt pupu here.
Daarna door de stad gereden, ik kijk mijn ogen uit. Veel mensen zijn mooi gekleed vanwege de zondag. Maar veel halve containers als een soort winkeltje? Of wonen ze daar ook? Toen naar een strand buiten de stad met terrasje en zelfs een paar ligbanken. Heerlijk lang gezeten en geluncht. Er komt een bruidspaar met groot gevolg voor een fotosessie. Iemand heeft een aapje in een rokje met een luier als huisdier. Later in de middag wordt het veel drukker, hele gezinnen gaan de zee in. Wij ook. De zee is iets rustiger, maar het blijft de Atlantische Oceaan dus hoge golven.
Ik wil me gaan omkleden in de prima wc met douche. Het meisje dat voor me is zegt dat ik wel samen met haar me kan omkleden, ook gezellig. Maar zij houdt wel haar prachtige ondergoed aan onder haar zwemkleding. Wat hebben de vrouwen hier toch enorme mooie ronde billen, om jaloers op te zijn.

Mangobomen en bouwvallen

Zijn er woorden voldoende om de temperatuur en klamheid te beschrijven? De donkerte waar je binnenstapt op het moment dat je onder een dak op het terras van Sajj gaat zitten om te lunchen? Wat je het eerst ziet is de enorme mangoboom bij de entree van de ommuurde binnenplaats. En daarna valt je oog op de dikke boomstammen die om het terras heen staan.  De onderste twee meter is geheel bewerkt tot een groot reliëf. Als je ogen de boom omhoog verder vervolgen zie je dat de bomen door het dak verdwijnen. Maar zij overleven het houtsnijwerk in hun stam: schildpadden, giraffen en in de boom bij de keuken is in de stam is een kok gesneden.
En dan zie je op de binnenplaats van de entree op een verhoging een bewakingshutje. Waar continu iemand aanwezig is. Een van hen is langdurig bezig zich mooi strak, aan te kleden, Net zolang tot alles perfect zit. En dan verlaat hij de boomhut. En loopt het restaurant in.
Vanaf restaurant Sajj loop ik over de 18de straat naar zee. Stoffige weg, lijkt door te lopen tot zee. Maar nee, de weg houdt op naast een braakliggend stuk met restanten beton, waar kinderen in een schooluniform spelen. Daarachter een steegje, met bouwvallen en de school van de kinderen. Een aantal kinderen loopt met brokken puin op een schaal op het hoofd het paadje af langs de school. Ik ben benieuwd waar de stukken puin heengaan en voor gebruikt worden.

Tubman Boulevard

Ik zie vanuit onze kamer de grote Tubman Boulevard. De hele tijd hoor je getoeter, naast het enorme lawaai van de grote generatoren van de drie gebouwen hier, die continu een stroom van verbrandingsrook uitstoten.  Maar de dubbele ramen dempen het geluid goed genoeg. De Tubman Boulevard is druk bevolkt met taxi’s, dat is hie het openbaar vervoer: bij elkaar in een taxi stappen. Langs de kant van de weg staan en wijzen met je vinger omlaag. En dan maar wachten tot er een stopt die nog een plekje heeft.
De meeste mensen die langs de stoffige rand van de weg lopen, zien er schoon en fris uit. De schoolkinderen helemaal picobello in hun kraakheldere uniformen. 

 Op een hoek wordt een nieuw gebouw opgetrokken. De imposante pilaren staan er al. Ze zijn nu op de vierde verdieping. Ik zie ze een steen in een zak omhoog hijsen. De verdiepingen worden gestut met vele stokken, die stokken zijn niet recht, maar gewoon takken op maat afgezaagd. Ziet er erg mooi uit, mooier dan bij ons. Het voelt een beetje gênant om er zo lang naar te staan kijken, dat is toch bij veel dingen het geval. Voor mij vreemd, voor hen gewoon.
Ik loop de 12de Straat in. Achter tafeltjes, onder parasollen, zitten mensen in het zand met laptops, printers, kopieer- en typemachines. Hier kan je een brief laten typen, iets laten mailen of kopiëren. Ben benieuwd hoe dat gaat als het overdag hard regent.

Alle religies zijn welkom

Na een paar kruispunten kom ik bij een school, overal meisjes en jongens in roze overhemden en donkere broeken of rokken. Ik raak met de enthousiaste sportleraar aan de praat. Er zitten ca. 600 kinderen op deze school, van 6 t/m 20 jaar. Alle vakken tot het eind. Les van 8 tot 13.00 uur. Sommigen komen van ver. Het is een privé school, dus de ouders moeten schoolgeld betalen. De hoogte verschilt per school. Minimaal 42 kinderen in een klas, zonder ramen, tafeltje met eraan vast een blad, kris kras door elkaar. Alle religies zijn welkom. De kerk financiert deels de school, maar speelt verder geen grote rol. Even later ontmoet ik de directeur en mag in wat klassen kijken. Het is pauze, maar de ca 17-jarigen zitten gezellig te kletsen in het lokaal. Ik krijg allerlei schriften en proefwerken te zien. Zo te zien van een behoorlijk niveau: natuurkunde en economie – ik zou het niet zomaar kunnen maken. Ze schrijven beter Engels dan ik ze kan verstaan. Hun accent is sterk Liberiaans Engels. Voor het vak ‘kunst’ hebben ze de Mona Lisa getekend. Ze zijn vrolijk en lacherig
De sportleraar laat me het voetbalveld van zand zien. Op zaterdag traint hij 60 jongens en meisjes, van 8 tot 11 uur. ‘Welcome any time’, dat geldt voor de school en het voetbal.

Africa Night

Op naar de Africa Night in Sajj. Heftige Afrikaanse drummers, zangers en dansers, mannen en vrouwen, verbazingwekkend lenig met een enorm stuwend optreden dat wel anderhalf uur duurde. Een mix van breakdance en de yoga en dan weer harde drums. Fantastisch. Tegelijkertijd regent het keihard, met donder en bliksem. Er vallen harde klappen op het dak: het blijken de mango’s, die door de harde wind uit hun boom worden bevrijd.

4 mei

Ik loop vrijdag 4 mei langs het strand waar we de eerste dag zijn wezen kijken. Ongeveer een kilometer gelopen naar het strandterras Golden Beach. Langs afvalhopen, een akelige rafelrand van de stad, maar ik kijk naar de zee die onophoudelijk met flinke golven komt aanrollen. Vlakbij het water loopt het schuin af, lastig lopen.
Op het strand raak ik al lopend aan de praat met Dyrus. 21 jaar, gestopt met school in de 10de klas – hij moet er nog twee. Dat kunnen zijn ouders niet meer betalen: 21.000 Liberiaanse dollars, oftewel 300 Amerikaanse, voor de particuliere school. Nu doet hij niets de hele dag. Maar volgend schooljaar gaat hij naar de openbare school om het af te maken. Eerder vandaag ontmoet ik een verkoper van schilderijen en houtsnijwerk. Nee, dat maakte hij niet zelf. Hij is in de dertig schat ik. Zo verdient hij en maakte ondertussen zijn highschool af. Dat is een lang verhaal zegt hij, waarom hij nog niet claris met school. Dat had ik al eerder gelezen, daar zit de burgeroorlog tussen: 4 mei bij ons, nu 67 jaar geleden, bij hen slechts 9 jaar geleden.